Details
861 p.
Besprekingen
De Volkskrant
Omdat mijn moeder zou verhuizen naar een kleinere, gelijkvloerse woning, werden we gedwongen een keuze te maken uit haar vele boeken. Samen doorliepen we de decennia van haar en onze levens, van Van Lennep tot Cissy van Marxveldt en Jules Verne, via Mary McCarthy, Margaret Atwood, Pirsig, Updike en Roth naar Edmund de Waal en andere bekende schrijvers van nu. Mijn moeder was en is een allesvreter.
Er waren geluiden bij het uitzoeken, en achteraf bepaalde de toon van die geluiden ons beleid: mee of weg. Wij vertrouwden op de intuïtie die de bron was van die toon. Bij klanken van blijde herkenning of een lage luide zoem van weemoed ging het boek in de doos waarop 'mee' stond.
Bij het lauwe 'mmm' of 'huh, wat was dat ook weer?', was het meteen duidelijk.
De uitverkorenen wisten heimwee, liefde misschien wel, maar in elk geval nieuwsgierigheid en verlangen naar de sensatie van vroeger bij haar en mij los te maken. Die mochten mee als kameraden, trouwe getuigen van haar leven in haar nieuwe boekenkast. Sommige wekten, hoe hypothetisch ook, de fantasie op dat we ze opnieuw zouden lezen en nu écht, beter, want wijzer dan toen.
Soms ging het om grote titels die we eigenlijk nooit eerder hadden aangedurfd. Ook daarvan gingen vele mee, je wist maar nooit. 'Echt?', vroeg ik soms.
Ik durfde het mijn moeder niet toe te geven, maar zelfs als ik de ijzersterke eerste zinnen van een oude bekende las - Malamud, Roth, Updike, Margaret Drabble - beving me soms een soort vermoeidheid. De opwinding toen al die geweldige boeken indertijd verschenen, boeken die ooit de toon zetten voor een nieuwere, scherpere blik op de wereld en de toekomst - hoe verhield ik me inmiddels met die toon? Wilde ik die oude wereld weer in?
Veel van de wereld in de oude dierbare boeken was voorbij; al dat zelfvertrouwen over wat echt en waar was verraste weliswaar nog steeds, ongebroken door de tijd, maar zo veel nieuwe stemmen waren er inmiddels bij gekomen. Hoe jammer dat ik er toch niet opnieuw aan zou beginnen, ik kende mezelf. Het had iets willekeurigs om zomaar aan een boek van vroeger te beginnen. Eindelijk Jorge Semprún gaan lezen? Maar hoezo dan?
Dus wat te denken van de terloopse verschijning van een vertaling van een vuistdikke roman uit 1937? Onlangs verscheen voor het eerst in het Nederlands Wolf onder wolven van Hans Fallada, pseudoniem van Rudolf Ditzen (1893-1947), een in Duitsland zeer bekende naam, maar in Nederland niet zo.
Ik bedoel: het is niet Thomas Mann. En wel een boek van 864 pagina's.
Ik kende de naam. De allereerste volwassen titel die ik las was Wat nu, kleine man?. De roman werd al in 1932 vertaald door Nico Rost, en verscheen in 2011, bewerkt door Anne Folkertsma, nogmaals bij Cossee.
Ik was 12 en ik had de jeugdbibliotheek uit. Niets te lezen hebben maakte me in die tijd paniekerig. De vertaling stond in mijn ouders' boekenkast, en in mijn nood dacht ik dat het een boek voor me kon zijn - door dat 'kleine', denk ik.
Waarschijnlijk heb ik er indertijd maar een tiende van begrepen. Wel herinner ik me hoe trots ik was dat ik het zomaar kon lezen.
Door de directheid en leesbaarheid was Wat nu, kleine man? indertijd een kolossale bestseller, vertaald in tientallen talen, talloze malen voor theater bewerkt, viermaal verfilmd. 'Een ode aan de liefde en aan de vrouw', schreef de Volkskrant in 2010, wat me na lezing van Hans Fallada: Alles in mijn leven komt in een boek terecht, de biografie van Anne Folkertsma uit 2015, nogal schwärmerisch in de oren klonk.
Dat hoofdpersonen Johannes Pinneberg en zijn Engeltje ondanks alle miezerigheid en het verlies van maatschappelijk aanzien toch een piezeltje geluk vinden, is inderdaad vooral door toedoen van de montere Engeltje - die, weet ik sinds die biografie, sterk doet denken aan Fallada's eigen vrouw Suse (Anna Ditzen).
Ook Suse weet Fallada meestal weer te redden en op te monteren. Alleen is dat bij hem niet alleen broodnodig in de vele periodes van armoe die ze samen kennen - ook tijdens de verslavingen en vele psychische inzinkingen die Fallada's leven markeren, zouden haar rust en kracht vaak levensreddend blijken.
Tot ze, helaas, na een overdaad aan overspel, verraad en drank- en drugsmisbruik van Fallada de handdoek in de ring gooit.
Hoe dan ook: Wat nu, kleine man? bracht de getroebleerde schrijver voor het eerst echte welvaart - al stond Duitsland toen al aan het begin van de beruchte fatale ommekeer.
En nu is daar dus Wolf onder wolven. Tussen de zes boeken van Fallada die Cossee vanaf 2010 uitgaf (waaronder Wat nu kleine man?, De drinker, het uitzonderlijke boek dat Fallada in nazidetentie schreef, net als het smartelijke Alleen in Berlijn) ontbrak deze grote roman, die volgens de critici van zijn tijd en volgens Fallada's biograaf juist een van zijn beste was.
Compliment dus voor uitgeverij IJzer die de moed had om deze roman op de markt te brengen. En de vertaling van Bart van Kreel is modern en sprankelend. Voor de kenner en liefhebber van Fallada moet dit een groot geschenk zijn.
Net als Wat nu, kleine man? gaat Wolf onder wolven over de roerige periode van chaos en verval na de Eerste Wereldoorlog. Het voor Duitsland vernederende en belastende verdrag van Versailles legde een enorm beslag op de staatsinkomsten (die toch al niet florissant waren) en luidde jaren in van grenzeloze geldontwaarding.
Aan het begin van de roman, zomer 1923, is een Amerikaanse dollar 100 duizend Duitse mark waard, een paar maanden later 4,2 miljard. De impact van die inflatie, waarbij voor velen het moeizaam verkregen spaargeld verdampte, maakte van de meeste mensen een hebberige, of paniekerig behoeftige wolf die, vaak met ongeoorloofde middelen, vocht voor zijn of haar overleving en zelfbehoud.
Sommigen verloren alles, anderen werden ineens bizar rijk. Landeigenaren en heren die tijdens het Duitse Rijk (1871-1918) nog veel status en geld hadden gehad, haatten het verdrag van Versailles waarmee Frankrijk bij Duitsland de strop straktrok.
Een complexe context, die essentieel is als je de gevoelens en personages in dit boek een beetje wilt kunnen begrijpen; deze roman is veel caleidoscopischer, ambitieuzer en kluchtiger dan Wat nu, kleine man?. Het verhaal zou het goed doen (vergeef me) als tv-serie, zo historisch, zo visueel verteld, vol geestige, tragische plots en subplots die vaardig en logisch worden samengebracht.
De roman bestaat uit twee delen, waarvan het eerste deel (458 pagina's) één dag beslaat. Zo heeft Wolfgang (sic) Pagel, ex-soldaat, beroepsgokker en de opstandige zoon van een welgestelde schildersweduwe, alles wat hij bezat vergokt, terwijl hij nu juist zou gaan trouwen met schoenenverkoper Petra (Peter) Ledig. Omdat ze geld nodig hebben om te eten - en dat hebben ze al meer dan twee dagen niet kunnen doen -, heeft hij haar kleren en schoenen verkocht en is op weg gegaan om geld te lenen voor een broodje en wat koffie.
Droom en daad lopen in Wolfgangs vriendelijke maar nogal onrealistische hoofd nogal dooreen, en zijn plannen zijn allemaal behoorlijk gemakzuchtig. Fallada geeft een (overtuigend) inkijkje in dit lamzakkige en vruchteloos voortmalende brein, dat zich voortdurend halfhartige illusies maakt over de goede afloop van alle onzin die hij onderneemt om zijn lot te veranderen, en dat slecht uit de voeten kan met de zoveelste teleurstelling.
De koers van de Duitse mark keldert nog voor het einde van de middag weer een paar miljoen ten opzichte van de dollar, maar de hoeveelheid miljoenen marken en dollars die hij met de verkoop van een schilderij van zijn vader verwerft is zo groot, dat dat even niet deert. Je houdt je hart vast, die biljetten gaat-ie vast weer verliezen (en dat gebeurt ook). Petra belandt in haar dunne regenmantel zonder schoenen of kleren eronder op straat en wordt gearresteerd door een goeiige politieagent die haar ter bescherming meeneemt naar het bureau.
Deze vriendelijke agent komt helaas diezelfde avond om in een onverwachte schietpartij, en Petra belandt in de cel bij veel minder vriendelijke gezagsdienaars. Haar hoop op redding is Wolfgang, maar die wordt, alle goede intenties ten spijt, onderweg (vele honderden pagina's) nogal afgeleid.
Dan is er de ritmeester, Joachim van Prackwitz, die uiterst gebrekkig het landgoed van zijn schoonvader beheert (de prikkelbare geheimraad Horst-Heinz von Teschow) en die op zoek is naar arbeiders om de oogst binnen te halen. Zijn dochter, de wulpse, voorlijke, verwende Violet, is verliefd op een luitenant die stiekem bezig is een coup voor te bereiden (een historisch gegeven dat Fallada zeer precies weergaf).
En dan is er nog de sympathieke Etzel von Studmann, de vroegere regimentskameraad van de ritmeester, die, net als Wolfgang, op het landgoed zal komen te werken. De geldontwaarding maakt iedereen panisch en kwaadaardig en berooft de meesten van elk fatsoen, maar desondanks brengt de wil om te overleven ook weer van alles tussen deze mensen op gang, en niet louter ten kwade.
Uiteindelijk zal Wolfgang door zijn verantwoordelijkheden als landopzichter zijn betere zelf ontdekken en zijn gokkersleven afzweren - en dan vinden hij en Petra, die zijn kind blijkt te dragen, elkaar ook nog terug. Het stel vindt warempel een soort vredig en deugdelijk gezinsgeluk, en Wolfgang gaat medicijnen studeren. Eind goed, al goed.
Net als in zijn andere werk is Fallada ook hier de briljante observator van het menselijk tekort, al strookt het zoete einde daar eigenlijk niet echt mee. Maar hij schrijft dat zo luchtig en spottend op, dat het bijna leest als een cynisch commentaar op de manier waarop een verhaal als dit nu eenmaal hoort te eindigen. Niet erg: een goede afloop is wel opluchtend, na alle verontrustende kluchtigheid die niet eens zo héél erg veraf voelt.
Jessica Durlacher is schrijver, onder meer van de romans De held en De stem.
fictie
Hans Fallada
Wolf onder wolven
Uit het Duits vertaald door Bart van Kreel. IJzer; 864 pagina's; €39,50.